BEHANDELVORMEN TRAUMA
Binnen praktijk Mysa worden de volgende evidence based behandelvormen voor trauma toegepast:
IMAGINAIRE EXOSURE
Bij imaginaire exposure ga je, samen met de behandelaar, in gedachten terug naar de traumatische gebeurtenis om deze stap voor stap opnieuw te doorlopen. Het doel is om vermijding te doorbreken. Je ervaart dat je het aankunt om blootgesteld te worden aan de nare herinnering. Je vertelt de gebeurtenis hardop en zo concreet mogelijk, alsof het nu gebeurt: wat je zag, hoorde, rook, dacht, voelde en wat er in je lichaam gebeurde. De behandelaar helpt je om bij de moeilijke momenten te blijven en niet te snel weg te gaan van het meest beladen stuk van de herinnering. Door dit herhaald te doen, merkt je brein dat de herinnering op zichzelf niet gevaarlijk is en dat de emoties wel oplopen maar ook weer zakken. Daardoor nemen herbelevingen, nachtmerries en schrikreacties vaak af, en krijg je meer grip op triggers die je aan het trauma doen denken. Soms wordt imaginaire exposure gecombineerd met exposure in het dagelijks leven (in vivo), waarbij je geleidelijk situaties opzoekt die je nu vermijdt maar die objectief veilig zijn.
EMDR
EMDR is een traumabehandeling waarbij je kort terugdenkt aan een nare herinnering, terwijl je tegelijkertijd een afleidende taak doet (meestal oogbewegingen volgen in combinatie met geluiden en andere afleidende taken). Tijdens de sessie kies je samen met de behandelaar één concrete herinnering (een ‘target’) die nu nog veel spanning of klachten oproept. Je brengt daarbij het meest belastende beeld, de bijbehorende emotie en lichamelijke spanning in gedachten, en ook de negatieve gedachte die je over jezelf hebt (“ik ben machteloos”, “het is mijn schuld”). Daarna start de behandelaar de afleidende taak. Doordat je brein én de herinnering activeert én tegelijk iets anders moet doen, wordt het werkgeheugen belast waardoor het beeld vaak minder scherp en minder heftig voelt. In korte ‘sets’ merk je meestal dat gedachten, gevoelens en beelden veranderen en dat nieuwe associaties vanzelf opkomen. Tussendoor vraagt de behandelaar wat je opmerkt, zodat je steeds weer aansluit bij wat er nu in je hoofd gebeurt. Gaandeweg zakt de spanning (de lading) van de herinnering, en voelt het meer als iets dat gebeurd ís dan iets dat je opnieuw meemaakt. Als de spanning laag is, wordt er vaak een helpende of realistische gedachte gekoppeld aan de herinnering (bijvoorbeeld “ik ben nu veilig” of “ik heb gedaan wat ik kon”). Aan het eind wordt gecontroleerd of ook het lichaam rustig blijft bij het terugdenken, en de verwerking kan na de sessie nog even doorgaan.
IMAGINAIRE RESCRIPTING
Bij imaginaire rescripting haal je een pijnlijke herinnering op, maar in plaats van die alleen te herbeleven, verander je in je verbeelding wat er gebeurt zodat er wél komt wat je toen nodig had. Je gaat eerst kort terug naar de oorspronkelijke gebeurtenis om contact te maken met de emoties en behoeften van toen (bijvoorbeeld veiligheid, steun, bescherming of rechtvaardigheid). Daarna wordt de herinnering ‘herschreven’: jij (of soms eerst de behandelaar) stapt in het beeld en grijpt in, stelt grenzen, biedt troost of zorgt dat het onrecht stopt. Door deze nieuwe afloop voelt de herinnering minder bedreigend en verandert vaak de betekenis die je eraan hebt gegeven (bijvoorbeeld van “het was mijn schuld” naar “ik had bescherming nodig”). Zo neemt de emotionele lading af en ontstaat er meer compassie, zelfwaardering en gevoel van regie in het hier en nu.